Afbeelding

Stadsreus en pluimvoet

Stadsreus en pluimvoet

Er was tijd over tussen iemand brengen en ophalen, ik wandelde door het park. Tegen een dijkje bloeide boerenwormkruid, het geel van de nazomer, met nog andere wilde planten eromheen. Een stadsreus scheerde langs m’n neus, een fors gebouwde maar toch sierlijke zweefvlieg, de grootste die in Nederland voorkomt. Hij lijkt op een hoornaar, en niet toevallig, zo schrikt hij insecteneters uit de vogelwereld af.

Een oudere man kwam met zijn echtgenote voorbijgewandeld, hij ontwaarde mijn fototoestel en vroeg: ‘Bent u aan het filmen?’ Ik zei dat ik foto’s maakte van insecten. ‘O, zitten er bijzondere?’ ‘Zeker zes soorten zweefvliegen,’ antwoordde ik. Alleen al de namen die ze dragen: doodshoofdzweefvlieg, terrasjeskommazweefvlieg, blinde bij. Ook de kleinere exemplaren hebben vaak wat weg van wespen of bijen. Dat kan ze duur komen te staan als mensen die truc van de natuur niet doorhebben, ze slaan dan een zweefvlieg van zich af uit angst voor de steek van een angel. Zweefvliegen hebben de kleuren en een beetje het uiterlijk, maar niet de wapens van een wesp.

Uit tegenovergestelde richting naderde het echtpaar opnieuw. De man vroeg nu: ‘Haalt u ook meteen het onkruid eruit? Of moet ik zeggen: onkruid bestaat niet?’ Een niet-gemaaid dijkje midden in de stad was hem een doorn in het oog, het boerenwormkruid met z’n stralende hoofdjes stond er voor wie van strakke borders houdt uitgesproken rommelig bij, net als de groenige, hoog opgeschoten bijvoet. Maar de man besefte de tegenstrijdigheid van zijn interesses: onkruid bestaat niet, zeker niet voor insecten, voor hen is het een bitterzoete noodzaak.

En zouden er geen insecten zijn, dan zouden de bloemen er ook de brui aan geven, die worden dan niet meer bevrucht. Zwaluwen zouden wegblijven, op hun menu staan nou net die insecten. De zaadeters onder de vogels zouden eveneens in moeilijkheden komen: iets verderop was een clubje huismussen aan het dartelen in het uitgebloeide koninginnenkruid, ze pikten vakkundig de zaadjes uit de pluizen voordat de wind ze meenam. De mussen leken er echt plezier in te hebben.

De laatste tijd worden meer en meer bermen ingezaaid, dat biedt een fleurig beeld. Het helpt ons aan een goed humeur en insecten en vogels aan voedsel. Van belang is het te weten dat nogal wat insecten van specifieke inheemse planten afhankelijk zijn, zoals de wormkruidbij, haar naam geeft het al aan. Bovendien moeten die beestjes niet alleen eten, maar ook ergens wonen. Zweefvliegen brengen hun jeugd, hun larvetijd, veelal in nabijgelegen water door en diverse bijensoorten nestelen in de grond. Sommige van hen zijn opportunisten, ze kunnen zich snel aanpassen aan door mensen gecreëerde situaties. Vorige maand zagen we in een klinkerstraat midden in het dorp allemaal hoopjes zand liggen. Het bleek het resultaat van graafwerkzaamheden door het vrouwtje van de pluimvoetbij. Grappig idee: twintig, dertig centimeter onder de straat waarover je dagelijks loopt, groeien jonge bijtjes op. Die hebben straks natuurlijk wel weer voedsel nodig. Een tip voor tuinbezitters: met gele bloemen uit de composietenfamilie, zonnebloemen bijvoorbeeld, maak je pluimvoetbijen blij.