Afbeelding

Neusmutsje

Opinie

“Goeiemorgen!” appt mijn zevenenzeventigjarige oom. “Heldere lucht, zonneschijn, min twee graden. Wollen muts, dikke sjaal, oorwarmers, neusmutsje.” “Hahahaha!” antwoord ik. “Neusmutsje. Grapjas. Zelf gebreid toch wel he?” Ik leg mijn mobiel weg en ik neem een slokje koffie. Wat ben ik blij met de humor in papa’s familie. Een neusmutsje. Hoe verzint hij het?

Hij is een aardige man, de jongste broer van mijn vader. Als ik hem bel neemt hij op met “Baron Van Erp tot Henegouwen Von Lippe Biesterfeld.” Hij heeft een prachtige klassieke smaak voor interieur en styling, was jarenlang dressman en maakt zijden boeketten die in de etalage van de Bijenkorf niet zouden misstaan.

Mijn vader kwam uit Noord-Brabant en daar is mijn oom – laten we hem Kees noemen- dus ook opgegroeid. Tijdens de oorlog was papa een tiener. Kees werd twee jaar na de bevrijding geboren. Papa was toen inmiddels veertien en zat al twee jaar op kostschool. Eén dagje verlof gaven de paters in Venray, om naar het broertje te gaan kijken. Verder mocht papa drie keer per jaar een paar weken naar huis. Met Kerstmis, met Pasen en in de zomervakantie. Voor Kees was mijn vader ‘oom Hans’. Na kostschool ging papa in Nijmegen studeren en in Groenlo werken, en ook dat heeft gemaakt dat er eigenlijk weinig contact was over en weer. Papa had het druk met zijn gezin en met zijn werk. Wij hadden geen auto. En zo zijn er nog een boel praktische redenen te noemen. Maar ook emotioneel was hun band een andere dan die tussen mijn zussen en mij. Niet in de laatste plaats dus door het enorme leeftijdsverschil.

En toen overleed afgelopen week oom Jack, de andere broer van papa. Nu zijn er nog twee kinderen over uit dat gezin: oom Kees en tante Roos. Beide wonen ver weg. Beiden zijn single en beiden hebben geen kinderen. Opeens zijn de twee dochters van oom Jack en wij drieën – Ja, wat eigenlijk?

Tijdens de uitvaart van oom Jack vorige week zaterdag keek ik regelmatig opzij naar Kees en Roos. Onze levens zijn met elkaar verbonden, maar ook weer niet. Moeten wij nu voor hen zorgen? In hoeverre zouden zij dat willen? En in hoeverre zouden wij dat eventueel kunnen, praktisch gezien? Ik vind het fijn dat ze er zijn en ik voel me betrokken en ook deels verantwoordelijk, maar is dat terecht? Ik vind dat lastige vragen.

Kees vertelde dat hij het wel fijn zou vinden als we ‘s morgens even appen. Zodat ik weet dat er iets aan de hand is als hij niet antwoordt. Dat is een mooi begin dacht ik, en bovendien praktisch uitvoerbaar. Zo gezegd zo gedaan.

“Nee hoor!” is het antwoord op mijn vraag of hij het ‘neusmutsje’ zelf heeft gebreid. “Gekocht, bij de bouwmarkt, die zijn veel steviger.”

‘Haha, nou moet hij echt ophouden’ denk ik. Toch toets ik voor de zekerheid ‘neusmutsje’ in.

En dan verschijnen ze. Niet te geloven. Neusmutsjes in alle soorten, maten en kleuren. Gehaakte kippen met snaveltjes, roze gebreide varkenssnuitjes, ademende en usb-aangedreven neuswarmers en ‘plush warm nose /earprotection two-in-one’ maskers.

Allemachtig… ze bestaan echt! Soms is het leven voor mij te moeilijk. Ik trek mijn jas aan en ik voel even aan mijn neus. Dan stap ik op de fiets.

Op naar de bouwmarkt!


mirjam@writeme.com

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant